Ga naar de inhoud

In tijden van armoede was de klompenmakerij voor landarbeiders en kleine boeren een welkome bijverdienste. Binnen Zeeland concentreerde de klompenmakerij zich in Oost-Zeeuws-Vlaanderen met Clinge als centrum en op Zuid-Beveland. Veel klompenmakers in de grensstreek kwamen uit Belgiƫ. In 1889 telde Zeeland 300 klompenmakers en dertig jaar later 675. Bijna twee derde van hen was gevestigd in Oost-Zeeuws-Vlaanderen. Zij maakten 10 procent van alle Nederlandse klompen, in 1950 zelfs 20 procent.